‘Iedereen verwacht beter van me. Ikzelf verwacht beter van me. Maar het lukt me gewoon niet. Het kruis dat ik op me heb genomen is blijkbaar te zwaar voor mij om te dragen. Maar ja, nu kan ik het ook niet meer loslaten. Het is niet alsof er iemand klaar staat om het van me over te nemen.’
‘Kun je bij iemand terecht?’
‘Nee. Waarom denk je dat ik hier ben? Dit is nu niet bepaald de plek waar ik als eerste aan zou denken.’
Een mondhoek van de therapeut trekt sardonisch omhoog.
‘Sterker nog, dat ik hier ben maakt het alleen maar erger. Maar ik moest gewoon met iemand praten!’
‘Waarom ben je dan specifiek hierheen gekomen?’
‘Hier houdt Hij geen toezicht. Of kan Hij geen toezicht houden. Ik weet het niet. Hij is nooit zo openhartig over de grenzen van zijn kunne.’
De therapeut knipt begrijpend.
‘Eigenlijk is dat je zit met je probleem, onderdeel van het probleem.’
‘Ja, precies! Als iemand erachter zou komen dat ik hiermee zit, dan zouden een hoop mensen, en misschien ook wel mijn Vader, hoop verliezen.’
‘Je voelt alsof de wereld op je schouders rust.’
‘De wereld rust op mijn schouders.’
‘En wat zou er gebeuren als je die last van je af zou werpen?’
‘Ik moet bekennen dat als je zulk soort dingen vraagt, ik je neutraliteit als therapeut toch een beetje in twijfel trek. Ik bedoel, het is niet onrealistisch van mij om te verwachten dat je hier ook andere belangen bij hebt.’
‘Begrijpelijk, begrijpelijk. En je probleem is natuurlijk dat iedereen, op wat voor manier dan ook, hier belang bij zou kunnen hebben, dus neutraler dan dit ga je het niet krijgen.’
‘Precies! En ik heb het geprobeerd in te houden en me erover heen te zetten, enzovoorts, maar het lukt me gewoon niet, en ik moest gewoon met iemand praten.’
‘Duidelijk, duidelijk. Het is me duidelijk waarom je hier bent. En ik wil je ervan verzekeren dat wat hier gezegd wordt, tussen deze vier muren blijft, of je me daarin nu gelooft of niet. Als jij zou moeten zeggen wat de kern van je probleem is, wat zou je dan zeggen?’
Hij zakt achterover in de fauteuil en richt zijn blik op de muur boven de therapeut.
‘Ik voel me bevuilt door de zonde van anderen. Ik weet dat ik ze vrijwillig op me heb genomen, en boete gedaan heb, en dat ik nu technisch gezien als herboren ben. Ik bedoel, letterlijk ben ik natuurlijk ook als herboren. Maar ik voel me niet herboren. Die drie dagen in de onderwereld waren, letterlijk en figuurlijk, de hel, en eerlijk is eerlijk, ik geloof niet dat ik daar ooit goed overheen gekomen ben. Bovendien merk ik ook dat ik het hele gebeuren door de tijd anders ben gaan bekijken. Toen dacht ik dat ik een vrije keus had, en de mensheid wilde helpen. En begrijp me niet verkeerd: dat wil ik ook. Ik zou willen dat ik de persoon ben die ik toen dacht dat ik was. Maar die persoon ben ik niet. Het beeld dat ze van me hebben, klopt niet. Zelfs mijn Vader weet niet wie ik daadwerkelijk ben. Hij denkt nog steeds dat ik vrijwillig het kruis op me heb genomen. Ik kan het niet over mijn lippen verkrijgen om Zijn waarheid in twijfel te trekken, maar binnenin mij voel ik me gewoon bespeeld. Ik bedoel: had ik daadwerkelijk een keus? Nee. Ik ben op de wereld gezet om mijn Vaders plan te vervullen. Punt. Zijn plan, niet mijn eigen plan. En toen dacht ik nog dat Zijn plan, mijn plan was, maar nu ben ik daar niet meer zo zeker van.
Ik bedoel, als ik het heel zwart-wit weergeef, zou je kunnen zeggen dat mijn Vader zijn zoon heeft opgeofferd, zodat Hij de mensheid kon vergeven. Maar ja, nu zit ik ermee! Hoe vergeef ik de mensheid én mijn Vader voor wat ze me hebben aangedaan? Ik bedoel, heeft er ooit wel eens iemand stil gestaan bij hoe het voor mij is om dit alles ondergaan te hebben? Nee, natuurlijk niet. Mijn worsteling vooraf om mij tot de daad te wenden wordt verheerlijkt, als teken van dat het echt een moeilijke taak is, maar nazorg is er nooit geweest. Er wordt maar van mij verwacht dat ik dit allemaal aankan en kan dragen, en dat zou ik ook graag doen als ik het kon, maar ik kan het niet en als ik aan iemand toegeef dat ik hiermee worstel dan zijn de rapen gaar.’
‘Waar ben je bang voor? Wat zou je ergste nachtmerrie zijn dat er zou gebeuren als dit naar buiten kwam?’
‘Nou ja, miljoenen mensen zouden hoop kunnen verliezen. Ik bedoel, er zijn nogal veel structuren gebouwd op het feit dat ik dit zonder blikken of blozen heb gedaan. En m’n vader zal een nieuw plan moeten bedenken. Er was een soort afronding, maar als dit naar buiten komt gooi ik de hele boel weer open. En ik weet niet hoe m’n Vader daar op zou reageren.’
‘Hoe denk je dat je Vader er op zou reageren?’
‘Ja, dat weet ik dus niet. Hij zal een volgend plan moeten bedenken, en Hij zat juist zo fijn in z’n routine. Misschien moet er een volgende Verlosser naar de aarde gestuurd worden.’
‘Ik bedoel, hoe zal Hij naar jou toe reageren?’
‘Lastig te zeggen. Het is natuurlijk een illuster figuur. Op het oppervlakte zal Hij vast begripvol en vergevingsgezind reageren, maar ik ben dan toch altijd bang dat Hij diep van binnen er anders over denkt. Hoe je het ook wendt of keert: ik heb hem wel teleurgesteld.’
De therapeut knikt, maar kijkt bedenkelijk.
‘Je hebt in ieder geval jezelf teleurgesteld, en het is dan logisch dat je denkt dat je ook anderen hebt teleurgesteld, maar dat weten we niet zeker.’
‘Dat is waar.’ De muur boven het hoofd van de therapeut heeft nog steeds zijn interesse. ‘Maar ik vind het opvallend dat Hij er nooit over begonnen is. Hij heeft mij nooit gevraagd hoe het was en wat ik ervan vond. Terwijl het toch een behoorlijk groot ding is. En dat Hij er nooit over begonnen is, kan twee dingen betekenen: Hij gaat er vanuit dat ik nergens last van heb, en dan stelt het Hem teleur, omdat Hij het niet van me verwacht. Of Hij weet allang dat ik hiermee zit, maar heeft zo’n z’n redenen om er niet over te beginnen, en dat vind ik ook niet echt een geruststellend gevoel.’
‘Hoe je het ook wendt of keert: je hebt het gevoel dat je hiermee niet bij je Vader terecht kan. Stel dat dat wel had gekund, wat had je Hem dan willen zeggen?’
Een scherpe inademing. ‘Dat Hij makkelijk praten heeft. Vergeving lijkt me vrij makkelijk als je iemand kunt regelen die de boetedoening op zich neemt. Wat onrechtvaardig was is dan rechtgezet, de wereld is weer in balans, er zijn geen losse eindjes meer. Maar van mij wordt verwacht dat ik het allemaal maar zo uit m’n mouw schut. Dat ik er geen problemen mee heb. Wat is vergeving überhaupt? Hoe voelt dat? Het is nogal een vaag begrip. Doe je het voor jezelf of voor de ander? Of voor allebei? Is het een gevoel? Zo ja, hoe voelt dat dan? Of is het een beslissing, een handeling? En wat doe je dan precies? Hoe weet je zeker dat je het gedaan hebt? Ik bedoel, menig mens zegt iemand vergeven te hebben, maar zelfs ik kan van deze afstand zien dat dat niet echt het geval is. Het is dus blijkbaar best ingewikkeld om te weten of je echt iemand vergeven hebt. Hoe moet ik dan weten wat ik moet doen en wanneer het is afgerond? Het enige dat ik nu weet is dat het me tot nu toe nog niet gelukt is. Ik ben regelmatig boos, op mijn Vader en op de mensheid. Ik voel me bezoedelt met de zonde, groot en klein, van die gluiperige mensheid. Ik weet dat ik schoon ben, maar de herinnering blijft. Vanaf de eerste jaloerse moord van Abel, tot aan een klein leugentje voor eigen bestwil: ik weet hoe het voelt, hoe het is om dat allemaal gedaan te hebben. Ik heb het onthouden, en ik kan het niet meer ontzien. Het is alsof ik van de boom van goed en kwaad gegeten heb en met het op me nemen van de zonden van de mensheid, mijn eigen zonde ontstaan is. Mijn wrok. Mijn rancune. Mijn onmogelijkheid om te vergeven. Mijn boosheid. Ik wil wel. Ik wil dolgraag! Als ik het in me had om nu tegenover de mensheid en mijn Vader te staan en naar waarheid te kunnen zeggen dat ik ze zou vergeven, dan zou ik het doen. Maar het lukt niet.’
Schokkende schouders. Een blik die zich op zijn schoot werpt. Lange haren die voor zijn gezicht vallen en de grimas aan het oog onttrekken. Een plotselinge beweging met het hoofd omhoog. Een paar ogen die zich in de therapeut boren.
‘Hoe kan ik mezelf vergeven, dat ik niet kan vergeven?’